Bijstand, Wmo en huishoudelijke hulp

Centrale Raad van Beroep: huishoudelijke hulp is een taak van gemeenten

Gemeenten die onder de nieuwe Wmo 2015 huishoudelijke hulp minder of in het geheel niet meer vergoeden, zullen hun beleid moeten aanpassen.

Tot dat oordeel komt cliëntenorganisatie Ieder(in). Net als belangenorganisaties ANBO en de Unie Kbo is Ieder(in) van mening dat gemeenten nu aan de slag moeten en passende hulp in het huishouden moeten aanbieden aan diegene die dat niet langer zelf kan regelen of betalen.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft nog niet gereageerd. Een woordvoerder stelt dat de uitspraak van de CRvB eerst nog zal worden bestudeerd en de gevolgen voor gemeenten eerst zullen worden geïnventariseerd. Een brief aan de leden laat zich dan ook nog even op zich wachten.

Bewindvoerderskosten en bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand voor meerkosten bewindvoering, kan dat met terugwerkende kracht?

Het komt wel vaker voor. Een bijstandsgerechtigde wordt onder bewindgesteld, terwijl de bewindvoerder diverse werkzaamheden reeds heeft verricht in de daaraan voorafgaande periode. Kunnen deze kosten worden vergoed? Het volgende was het geval.

De kantonrechter heeft in het najaar van 2014 een machtiging verleend aan een bewindvoerder om een bezwaarschriftenprocedure te kunnen voeren tegen de sociale dienst van de gemeente Stein. Aan de hand van een factuur die de bewindvoerder stuurde aan de bijstandsgerechtigde wordt op 13 januari 2015 een aanvraag om de toekenning van bijzondere bijstand ingediend voor de kosten die samenhangen met de bewindvoering.

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Stein wijst deze aanvraag af, omdat de bewuste kosten betrekking hebben op de jaren 2011 en 2012. Daarnaast wordt aangevoerd dat als beleid heeft te gelden dat de kosten voor bijzondere bijstand niet langer met terugwerkende kracht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen dan een jaar en dat de werkzaamheden dan moeten zijn verricht in een periode gelegen niet langer dan een jaar voor de aanvraag.

De bijstandsgerechtigde was het hier niet mee eens en stelde beroep in bij de rechtbank. Hij was van mening dat de verplichting om de factuur te betalen pas is ontstaan nadat de kantonrechter de verrichte werkzaamheden heeft kunnen beoordelen en daarvoor alsnog een machtiging heeft gegeven aan de bewindvoerder. Niet het moment waarop de werkzaamheden zijn verricht door de bewindvoerder is daarbij bepalend, maar de datum van de factuur. Nu deze datum valt binnen een jaar voor de aanvraag, had de gemeente deze kosten moeten toewijzen.

De rechtbank is echter van mening dat de kosten toegerekend moeten worden aan de jaren dat ze zijn gemaakt. Omdat de aanvraag om bijzondere bijstand in 2015 is ingediend en de werkzaamheden zien op de jaren 2011 en 2012, moet bekeken worden of met terugwerkende kracht bijzondere bijstand kan worden toegekend. De rechtbank vindt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat het nog onduidelijk was hoe hoog de kosten zouden uitvallen en dat het onzeker was of de bewindvoerder een machtiging zou krijgen, zijn geen bijzondere omstandigheden. Ook het argument dat vooraf niet bekend kon zijn hoe hoog de kosten zouden zijn, maakt onverlet dat een aanvraag om bijzondere bijstand binnen een jaar rondom de periode 2011 en 2012 ingediend had moeten worden.

De conclusie is derhalve dat goed opgelet moet worden wanneer een kostenvergoeding wordt aangevraagd. Wacht daar dus niet te lang mee anders kan de gemeente deze wegens een te lang tijdsverloop terecht weigeren.

 

Bijzondere bijstand voor meerkosten bewindvoering met terugwerkende kracht?

Het komt wel vaker voor. Een bijstandsgerechtigde wordt onder bewindgesteld, terwijl de bewindvoerder diverse werkzaamheden reeds heeft verricht in de daaraan voorafgaande periode. Kunnen deze kosten worden vergoed? Het volgende was het geval.

De kantonrechter heeft in het najaar van 2014 een machtiging een machtiging verleend aan de bewindvoerder om een bezwaarschriftenprocedure te kunnen voeren tegen de sociale dienst van de gemeente Stein. Aan de hand van een factuur die de bewindvoerder stuurde aan de bijstandsgerechtigde wordt op 13 januari 2015 een aanvraag om de toekenning van bijzondere bijstand ingediend voor de kosten die samenhangen met de bewindvoering.

Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Stein wijst deze aanvraag af omdat de bewuste kosten betrekking hebben op de jaren 2011 en 2012. Daarnaast wordt aangevoerd dat als beleid heeft te gelden dat de kosten voor bijzondere bijstand niet langer met terugwerkende kracht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen dan een jaar en dat de werkzaamheden dan moeten zijn verricht in een periode gelegen niet langer dan een jaar voor de aanvraag.

De bijstandsgerechtigde was het hier niet mee eens en stelde beroep in bij de rechtbank. Hij was van mening dat de verplichting om de factuur tot betaling van meerkosten te betalen pas is ontstaan nadat de kantonrechter deze heeft kunnen beoordelen en deze een machtiging heeft bewindvoerder. Niet het moment waarop de werkzaamheden zijn verricht door de bewindvoerder is daarbij bepalend, maar de datum van de factuur. Nu deze datum valt binnen een jaar voor de aanvraag, had de gemeente deze kosten moeten toewijzen.

De rechtbank is echter van mening dat de kosten toegerekend moeten worden aan de jaren dat ze zijn gemaakt. Omdat de aanvraag om bijzondere bijstand in 2015 ingediend en de werkzaamheden zien op de jaren 2011 en 2012 moet bekeken worden of met terugwerkende kracht bijstand kan worden toegekend. De rechtbank vindt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Het enkele feit dat het nog onduidelijk was hoe hoog de kosten zouden uitvallen en dat het onzeker was of de bewindvoerder een machtiging zou krijgen, zijn geen bijzondere omstandigheden. Ook het argument dat vooraf niet bekend kon zijn hoe hoog de kosten zouden zijn, maakt onverlet dat een aanvraag om bijzondere bijstand in 2011 en 2012 ingediend had moeten worden.

De conclusie is derhalve dat goed opgelet moet worden wanneer een kostenvergoeding wordt aangevraagd. Wacht daar dus niet te lang mee anders kan de gemeente deze wegens een te lang tijdsverloop terecht weigeren.

Bijstand en schuldhulpverlening

De Ombudsman uit harde kritiek over de aanpak van schuldhulpverlening

Recentelijk heeft de Ombudsman een pittig rapport geschreven over de te lange wachttijden en te hoge drempels die de toelating bemoeilijken voor schuldhulpverlening. Niet alleen zijn er meer en meer mensen met problematische schulden, ook de aard en omvang van de schulden is gewijzigd en heeft ertoe geleid dat mensen schulden vaak niet meer kunnen terugbetalen.

Hoewel schuldhulpverlening geen gemakkelijke taak voor gemeenten is, is niettemin de conclusie dat de gemeentelijke schuldhulpverlening op een hoger plan moet worden getild. In onvoldoende mate hebben gemeenten er voor zorggedragen dat maatwerk en passende begeleiding wordt geleverd.

In het rapport betwist de Ombudsman het uitgangspunt van de regering en gemeenten dat burgers zelfredzaamheid zijn. Juist deze kwetsbare groep moet meer en eerder worden geholpen, bijvoorbeeld door een vrijwilliger of case-manager. Dat vereist proactief optreden en vroegsignalering van (schulden)problemen. Daarnaast stelt de Ombudsman vast dat gemeenten de toelatingsregels te strikt hanteren wie voor hulp in aanmerking komt. Mensen met fraudeschulden of zij die een eigen bedrijf of huis hebben, worden vaak geen helpende hand aangereikt. Het creëren van een nieuwe schuld of het niet of onvoldoende nakomen van de voorwaarden, mag niet langer een reden zijn om de schuldhulpverlening te staken. Een bijkomend effect kan daarbij zijn dat maatschappelijke kosten worden gedrukt.

De Ombudsman hoopt dat het kabinet de Wet gemeentelijke schuldhulp zal evalueren aan de hand van zijn bevindingen.

 

Bijstand en het trajectplan

De juridische status van het trajectplan

Tot 1 januari 2004 was het gebruikelijk om de re-integratieverplichtingen nader uit te werken in een zogenaamd trajectplan. Een dergelijk plan moest toentertijd nog worden getekend voor gezien.

Na 2004 is weliswaar het expliciet benoemen van een trajectplan niet langer aan de orde, maar niettemin wordt in de praktijk nog veelvuldig met dergelijke plannen gewerkt. Vaak verplichten gemeenten de bijstandsgerechtigde ook een dergelijke plan te ondertekenen voor akkoord.

De vraag is of dat juridisch afgedwongen kan worden. Het tekenen van een trajectplan is iimmers niet perse noodzakelijk. Dit komt omdat de daarin genoemde verplichtingen al volgen uit artikel 9 Pw. Ook zijn er verschillende versies van trajectplannen in omloop. In sommige trajectplannen staan concrete re-ïntegratievoorzieningen beschreven, in andere plannen wordt verduidelijkt hoe het college de bijstandsgerechtigde aan zijn verplichtingen zal houden.

De Centrale Raad van Beroep heeft al eens bepaald dat in een geval waarin het trajectplan geen concreet aanbod van een re-integratievoorziening inhield en de bijstandsgerechtigde verder geen verwijt kon worden gemaakt dat hij een re-integratieverplichting zou schenden, het enkele weigering om het trajectplan te ondertekenen geen gevolgen voor hem had.  Kortom, zolang de bijstandsgerechtigde geen concreet aanbod van een voorziening wordt gedaan, kan de bijstandsgerechtigde niet worden verweten een voorziening te hebben geweigerd.

Let daarbij wel op voor het volgende.  Als vanwege de weigering het trajectplan te onderteken, het college van burgemeester en wethouders geen voorziening meer aanbiedt aan de bijstandsgerechtigde, kan in dat geval wel gesproken kan worden van een gedraging die de arbeidsinschakeling belemmert. Een dergelijke gedrag is maatregelwaardig. Hoe hoog de maatregel is, zal afhangen van de vraag hoe concreet het trajectplan is opgeschreven en hoe de gedraging is geformuleerd in de gemeentelijke afstemmingsverordening.

Bijstand en Wmo

De Centrale Raad zal op 18 mei 2016 uitspraak doen in Wmo zaken

Op woensdag 18 mei 2016 om 9:30 uur zal de Centrale Raad van Beroep uitspraak doen in drie zaken die gaan over huishoudelijke hulp.

In deze zaken moet de Centrale Raad van Beroep oordelen over de mate waarin inwoners van diverse gemeenten recht hebben op huishoudelijke hulp op basis van de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Inwoners van de gemeenten Utrecht en Aa en Hunze kregen op grond van de nieuwe Wmo 2015 veel minder uren aan huishoudelijke hulp toegekend dat hen eerder was toegekend op basis van de oude Wmo.

De Centrale Raad van Beroep zal een oordeel moeten geven op de vraag of huishoudelijke hulp valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015 en zo ja om hoeveel uur het dan gaat. Ook komt de kwestie van overgangsrecht aan de orde. Daarbij is van belang of de aanspraken die men had onder de oude Wmo, beëindigd mocht worden met de invoering van de Wmo 2015.

www. rechtspraak.nl