Centrale Raad van Beroep beoordeelt samenwonen en zorgrelatie

Personen, die zonder gehuwd te zijn voor elkaar zorgen en daarbij samenwonen, voeren geen gezamenlijke huishouding, zo oordeelde de hoogste bestuursrechter 6 december 2016. Deze personen vormen dan geen gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 lid 3 Participatiewet en krijgen dus niet de kostendelersnorm toegepast.

Uitzondering op de kostendelersnorm

Dit betekent dan ook dat de een zijn uitkering blijft behouden, ook al heeft de ander voldoende inkomsten. In 2002 was deze specifieke uitzondering voor tweedegraadsverwanten door middel van een amendement van het Kamerlid Noorman-Den Uyl de wet gekomen. Zij vond dat er sprake was van een klemmend maatschappelijk probleem dat van toepassing was op een relatief kleine groep mensen. Jaren later oordeelde de hoogste bestuursrechter dat een rechtvaardiging hiervoor ontbrak.

Hoofdverblijf en wederzijdse zorg

Wat was het geval? Een vrouw zat vanwege een infarct in een rolstoel en verbleef in het huis van een kennis, die haar verzorgde op basis van een pgb-budget. De vrouw zelf ontving een bijstandsuitkering en had met haar kennis een zorgovereenkomst gesloten. De sociale dienst beoordeelde deze situatie als het voeren van een gezamenlijke huishouding, nu sprake was van het hebben van hoofdverblijf op hetzelfde adres en de aanwezigheid van wederzijdse zorg. Omdat daarmede voldaan was aan de twee criteria voor het aanwezig zijn van een gezamenlijke huishouding, was de sociale dienst van mening dat de bijstandsnorm op hen van toepassing was, als ware zij gehuwd. Omdat de kennis betaald werk had en daarmede een hoger inkomen had dan de voor hen bijstandsnorm, kon de vrouw geen aanspraak meer maken op een bijstandsuitkering.

Bloedverwanten vormen de uitzondering

Wanneer de wet erop wordt nageslagen blijkt dat bloedverwanten in de tweede graad die met elkaar samenwonen, zoals bijvoorbeeld een broer en een zus, en voor elkaar zorgen niet als gehuwden worden beschouwd. Intensieve zorg van broer aan zus valt dus niet onder de gehuwden-norm, maar andere vormen van samenwonen wel. Bijvoorbeeld in het geval dat andere samenwonenden voor elkaar zorgen onder verder gelijke omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep kwam tot het oordeel dat dit onderscheid niet langer te rechtvaardigen viel. Zeker niet in een tijd waarin niet alleen familieleden voor elkaar zorgen, maar ook personen die geen bloedverwant van elkaar zijn deze rol kunnen vervullen.

Hoewel de Participatiewet voor deze situatie geen opgeld doet, betekent dit nog niet dat haar recht op bijstand sowieso wordt toegekend. Om dat te bepalen moet de sociale dienst nader beoordelen hoe de feitelijke situatie er uitziet en of de kostendelersnorm wel zonder meer van toepassing is.