Uitkering en tijdelijk verblijf

Wanneer is sprake van het hebben van langdurig of tijdelijk hoofdverblijf?

De volgende situatie komt vaker voor. Bij de sociale dienst komt een anonieme tip binnen dat de uitkeringsgerechtigde samenwoont met een ander op zijn huisadres. De gemeente stelt dan een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de uitkering. Als op basis van het dossier en de gedane onderzoeken wordt geconcludeerd dat inderdaad sprake is van een gezamenlijke huishouding, wordt de uitkering ingetrokken en het teveel betaalde teruggevorderd.

In dit geval betwiste de uitkeringsgerechtigde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Zij stelde dat zij vanwege een operatie hulp nodig had en daarom maar voor een korte periode zorg nodig had en daarom tijdelijk verbleef in de woning van een bevriende kennis. Omdat de rechtbank daar geen boodschap aan had, legde de vrouw haar zaak voor aan de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in het sociaal zekerheidsrecht.

De Raad oordeelde als volgt. In de eerste situatie stelde de Raad vast dat de wet een gezamenlijke huishouding aanneemt, als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Waar vervolgens iemand woont, dat hangt af van de concrete feiten en omstandigheden.

Niet in geschil is dat de bijstandsgerechtigde een operatie heeft ondergaan en dat zij herstelde was in de woning van deze bevriende kennis. Ook staat vast dat zij dit niet vooraf heeft verteld aan de sociale dienst.

De Raad stelt vervolgens vast dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever bij het begrip gezamenlijke huishouding er bewust voor heeft gekozen om het criterium “duurzaam” niet op te nemen. Ondanks het feit dat het begrip duurzaamheid niet in de wet staat, betekent dit niet, zoals de rechtbank wel had vastgesteld, dat de duur van het feitelijk verblijf ook niet van belang zou zijn. Dat is namelijk wel degelijk van belang. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat het niet opnemen van het begrip duurzaamheid niet betekent dat een kort verblijf in de woning van een ander gelijk leidt tot het hebben van een gezamenlijke huishouding. Tijdelijk verblijf kan immers niet leiden tot het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning.

Wanneer is er nu sprake van een kortdurend of tijdelijk verblijf? Daarover zwijgt de wetsgeschiedenis, dus de rechtspraak moet daarin duidelijkheid verschaffen. De Raad oordeelt dat die vraag moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. Zo kan de duur van het verblijf één van die omstandigheden zijn, maar ook bijvoorbeeld het verplaatsen van de persoonlijke spullen naar, of het ontvangen van post op het andere adres.

Omdat de bijstandsgerechtigde heeft nagelaten aan de sociale dienst te vertellen wanneer zij uit de bewuste woning was vertrokken, terug naar haar eigen woning, en niet op andere manier duidelijk heeft gemaakt per wanneer zij daar niet langer meer woonde, heeft de sociale dienst naar de mening van de Raad terecht mogen oordelen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Daarbij was nog van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg het niet noodzakelijk is dat de wederzijdse zorg naar elkaar verschilt zowel qua omvang als intensiteit. Omdat de vrouw ook boodschappen deed en kookte, werd de wederzijdse zorg aangenomen.

Wil derhalve een tijdelijke situatie aangenomen worden, dan mag van de bijstandsgerechtigde worden verwacht dat hij feiten en omstandigheden aandraagt waaruit blijkt dat de situatie inderdaad maar voor korte duur is.