Beslagvrije voet moet beschermd worden bij bankbeslag

Recentelijk heeft de nationale ombudsman een pleidooi gehouden om de beslagvrije voet ook te respecteren in het geval beslag op een bankrekening wordt gelegd. De beslagvrije voet kan het beste worden geduid als het deel van het maandelijks inkomen dat iemand ontvangt om in zijn onderhoud om van te kunnen leven kan voorzien. Op dat deel, zo is wettelijk bepaald, mag geen beslag worden gelegd. Doorgaans gaat het om een bedrag van 90% van de bijstandsnorm die op de persoon in kwestie van toepassing is. In beginsel, omdat er uitzonderingen bestaan op dit uitgangspunt.

De gevolgen van bankbeslag

Momenteel wordt er jaarlijks ongeveer 450.000 beslag op een bankrekening gelegd door het CJIB, deurwaarders en de belastingdienst. Momenteel is de wettelijke regeling aldus dat diverse overheidsinstanties en ook gerechtsdeurwaarders geen rekening hoeven te houden met de beslagvrije voet. Als dan beslag op een bankrekening wordt gelegd, worden niet alleen bankkosten in rekening gebracht waardoor de schuld alleen maar toeneemt, maar ook raken burgers feitelijk onder het bestaansminimum. Het behoeft geen betoog dat de problemen daarmee alleen maar toenemen. Nieuwe schulden gaan ontstaan, als deze ongelijkheid niet wordt weggenomen.

Samenloop met loonbeslag

Hiervan is helemaal sprake als er een samenloop bestaat tussen een loonbeslag en een gelegd beslag op een bankrekening waarop het restant van het salaris wordt gestort. Hoewel de twee gelegde beslagen van elkaar verschillen en geen verband houden, kan dat onder omstandigheden anders liggen. Op grond van rechtspraak heeft dan te gelden dat degene die beslag heeft gelegd op de bankrekening toch ook de beslagvrije voet dient te respecteren.

Overleg met ketenpartners

Het is niet zonder reden dat de nationale ombudsman hiervoor weer aandacht vraagt. In de maand december 2016 heeft staatssecretaris Jetta Klijnsma een wetsvoorstel vereenvoudiging beslagvrije voet ingediend in de Tweede Kamer. In dit voorstel wordt helaas niet nader ingegaan op het hierboven geschetste probleem. Vandaar dat de ombudsman een- ronde-tafel-gesprek gaat organiseren waarbij deze problematiek wordt aangekaart bij het ministerie en andere betrokken partijen als de Belastingdienst, DUO, SVB, de KBvG, het CJIB en UWV.

Bron: www.ombudsman.nl

Centrale Raad van Beroep beoordeelt samenwonen en zorgrelatie

Personen, die zonder gehuwd te zijn voor elkaar zorgen en daarbij samenwonen, voeren geen gezamenlijke huishouding, zo oordeelde de hoogste bestuursrechter 6 december 2016. Deze personen vormen dan geen gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 lid 3 Participatiewet en krijgen dus niet de kostendelersnorm toegepast.

Uitzondering op de kostendelersnorm

Dit betekent dan ook dat de een zijn uitkering blijft behouden, ook al heeft de ander voldoende inkomsten. In 2002 was deze specifieke uitzondering voor tweedegraadsverwanten door middel van een amendement van het Kamerlid Noorman-Den Uyl de wet gekomen. Zij vond dat er sprake was van een klemmend maatschappelijk probleem dat van toepassing was op een relatief kleine groep mensen. Jaren later oordeelde de hoogste bestuursrechter dat een rechtvaardiging hiervoor ontbrak.

Hoofdverblijf en wederzijdse zorg

Wat was het geval? Een vrouw zat vanwege een infarct in een rolstoel en verbleef in het huis van een kennis, die haar verzorgde op basis van een pgb-budget. De vrouw zelf ontving een bijstandsuitkering en had met haar kennis een zorgovereenkomst gesloten. De sociale dienst beoordeelde deze situatie als het voeren van een gezamenlijke huishouding, nu sprake was van het hebben van hoofdverblijf op hetzelfde adres en de aanwezigheid van wederzijdse zorg. Omdat daarmede voldaan was aan de twee criteria voor het aanwezig zijn van een gezamenlijke huishouding, was de sociale dienst van mening dat de bijstandsnorm op hen van toepassing was, als ware zij gehuwd. Omdat de kennis betaald werk had en daarmede een hoger inkomen had dan de voor hen bijstandsnorm, kon de vrouw geen aanspraak meer maken op een bijstandsuitkering.

Bloedverwanten vormen de uitzondering

Wanneer de wet erop wordt nageslagen blijkt dat bloedverwanten in de tweede graad die met elkaar samenwonen, zoals bijvoorbeeld een broer en een zus, en voor elkaar zorgen niet als gehuwden worden beschouwd. Intensieve zorg van broer aan zus valt dus niet onder de gehuwden-norm, maar andere vormen van samenwonen wel. Bijvoorbeeld in het geval dat andere samenwonenden voor elkaar zorgen onder verder gelijke omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep kwam tot het oordeel dat dit onderscheid niet langer te rechtvaardigen viel. Zeker niet in een tijd waarin niet alleen familieleden voor elkaar zorgen, maar ook personen die geen bloedverwant van elkaar zijn deze rol kunnen vervullen.

Hoewel de Participatiewet voor deze situatie geen opgeld doet, betekent dit nog niet dat haar recht op bijstand sowieso wordt toegekend. Om dat te bepalen moet de sociale dienst nader beoordelen hoe de feitelijke situatie er uitziet en of de kostendelersnorm wel zonder meer van toepassing is.

 

De CRvB oordeelt: verlaging bijstand is toegestaan als kosten kunnen worden gedeeld

De hoogste bestuursrechter heeft op 1 november 2016 bepaald dat de kostendelersnorm die op 1 januari 2015 in de Participatiewet is ingevoerd is toegestaan.

Kostendelersnorm

Kort gezegd houdt de kostendelersnorm in dat ingeval een bijstandsgerechtigde op een adres woont met anderen, zijn bijstandsuitkering kan worden verlaagd omdat hij bepaalde kosten kan delen. Daarbij geldt dat hoe meer volwassenen woonachtig zijn op hetzelfde adres, hoe lager de uitkering zal zijn. Op 1 november 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep zich gebogen over de vraag of deze korting op de bijstandsuitkering is toegestaan. In 13 zaken kwam de Raad tot het volgende oordeel.

In de eerste plaats heeft de Raad geoordeeld dat met de verlaging van de bijstandsuitkering een bijstandsgerechtigde niet onder het sociaal minimum duikt. Alleen als sprake is van een commerciële (onder)huur- of kostgangersrelatie, kan een korting op de uitkering achterwege blijven. Dit geldt dan weer niet als familieleden in de eerste of tweede graad op hetzelfde woonadres samenleven. Ook maakt de kostendelersnorm geen inbreuk op het eigendomsrecht zoals dat onder het Europese recht is gewaarborgd.

Afwijkingen via bijzondere bijstand

Als kosten kunnen worden gedeeld, zo oordeelde de Raad, dan is een verlaging van de uitkering op z’n plaats zonder dat daarvan kan worden afgeweken. Worden bijzondere kosten gemaakt, dan zal met een beroep op de bijzondere bijstand deze kosten moeten worden vergoed. Omdat de Raad ook een uitspraak heeft gegeven in een zaak die een IOAW-uitkering betrof, (oudere werkloze werknemers), is nu duidelijk dat hetzelfde regime van de bijstandswet voor wat betreft de kostendelersnorm ook geldt voor een IOAW-uitkering.

De conclusie is dat de positie voor personen die met elkaar samenwonen om voor elkaar te zorgen, er niet gemakkelijker op is geworden. Het uitgangspunt van de overheid om werken lonend te maken, blijkt uiteindelijk ook voor de Raad de doorslag te geven. 

Besluit Breed Wettelijk Moratorium

Recentelijk heeft het Kabinet ingestemd het besluit Breed Wettelijk Moratorium. Dit besluit stelt zich ten doel dat, naar het zich nu laat aanzien, per 1 januari 2017, deurwaarders, incassobureaus en (lagere) overheden gedurende een periode van 6 maanden geen beslag mogen leggen op goederen, inkomen of uitkering van de schuldenaar. Dit geldt eveneens voor de situatie waarin er al beslag is gelegd.

zes maanden adempauze

Gedurende deze periode van 6 maanden (moratorium) mogen schuldeisers zich dus niet verhalen op het vermogen van de schuldenaar en krijgt de (gemeentelijke) schuldhulpverlener tijd om de financiële situatie van de schuldenaar te stabiliseren. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de schuldenaar niet beschikt over enige draagkracht, maar wel noodgedwongen wordt geconfronteerd met nieuwe (incasso)schulden van bijvoorbeeld deurwaarders, of als de beslagvrije voet ten onrechte op een te laag bedrag is vastgesteld. Ook in dat geval zal het maken van nieuwe schulden onvermijdelijk zijn om toch in de dagelijkse kosten te kunnen voorzien.

Verzoekschrift via de rechtbank

Om gebruik te kunnen maken van dit nieuwe instrument, dient het college van burgemeester en wethouders een verzoekschrift in bij de rechtbank. Dit kan zoals de regelgeving er nu uit ziet maar een keer in een periode van tien jaar worden verzocht. Tevens voert het college tijdens het moratorium het beheer over het budget van de schuldenaar, dan wel zal dit samen doen met de bewindvoerder als sprake is van bijvoorbeeld beschermingsbewind.

Weigert de schuldenaar zijn medewerking aan het gemeentelijk traject of komt hij zijn verplichtingen niet na, dan moet het uitgesproken moratorium worden beëindigd. Hoewel een gemeente geen contact hoeft te onderhouden met schuldeisers, kunnen zij wel verzoeken om een beëindiging van het uitgesproken moratorium.  

UWV heeft miljoenen te verdelen voor begeleidingstrajecten

UWV stelt 20 miljoen beschikbaar voor Individuele Plaatsing en Steun-trajecten

De komende vijf jaar heeft UWV een onderzoeksubsidie te verdelen van 20 miljoen euro. Het geld is bedoeld voor Individuele Plaatsing en Steun-trajecten (IPS). Dat zijn trajecten waarbij mensen met psychische problemen vanuit UWV worden begeleid naar betaald werk.

Arbeidsparticipatie en psychische problemen

In het verleden hebben UWV afspraken gemaakt met GGZ Nederland om de arbeidsparticipatie van mensen met psychische problemen te stimuleren. Het hebben van werk heeft namelijk een positief effect op het algehele welbevinden van mensen en kan het herstel van psychische problematiek bevorderen. Omdat UWV meer inzicht wil krijgen op welke manier de begeleiding structureel kan worden vormgegeven, speelt UWV nu meer geld vrij om deze trajecten te financieren. GGZ-instellingen kunnen ieder half jaar een subsidie aanvragen die hierop ziet. Op deze manier hoopt UWV haar kennis te vergroten.

Bron: www. divosa.nl